Terug naar vorige
Een man werkt jarenlang samen met zijn vader in een maatschap. Wanneer de vader overlijdt, laat hij een echtgenote en vijf kinderen achter, onder wie de man. Op grond van de wettelijke verdeling gaan de bezittingen van de vader naar de moeder. De kinderen krijgen daardoor een vordering op hun moeder, ook wel een overbedelingsvordering genoemd. Enkele jaren later overlijdt ook de moeder. Bij het bepalen van de erfbelasting over haar nalatenschap ontstaat discussie over de hoogte van de schuld die zij nog heeft aan haar kinderen. Deze schuld is belangrijk, omdat een hogere schuld leidt tot een lagere nalatenschap en dus tot minder erfbelasting.
De rechtbank stelt voorop dat een nalatenschap voor de erfbelasting moet worden gewaardeerd naar de werkelijke economische waarde op het moment van overlijden. Volgens de rechtbank kan daarom niet zonder meer worden aangesloten bij de bedragen die de Belastingdienst eerder heeft gebruikt bij het ambtshalve opleggen van aanslagen erfbelasting na het overlijden van de vader. Die bedragen waren immers gebaseerd op schattingen. Het door de inspecteur verdedigde bedrag van € 112.500 overtuigt de rechtbank niet. Dat bedrag berust uiteindelijk ook op aannames en schattingen.
De rechtbank kiest daarom voor een tussenweg. Zij sluit aan bij de later (in 2024) ingediende aangifte erfbelasting voor de nalatenschap van de vader. Daaruit volgt een overbedelingsschuld van ongeveer € 194.000. Hoewel nog niet vaststaat of de Belastingdienst deze aangifte volledig zal volgen, vindt de rechtbank dat dit bedrag de beste aanwijzing geeft voor de werkelijke waarde van de schuld. Daarbij weegt mee dat de aangifte is ingediend namens de andere erfgenamen en niet door de man zelf. De rechtbank ziet daarom minder reden om aan de juistheid ervan te twijfelen.
