Terug naar vorige
Een man parkeert om 19:36 uur zijn auto op een betaald parkeren plek. Om 19:37 uur controleert een parkeerwacht de situatie ter plaatse en stelt vast dat de auto zonder betaling geparkeerd staat. Om 19:38 uur legt de parkeerwacht daarom een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. Om 19:41 uur meldt de man het voertuig alsnog aan via een parkeerapp. De man is het niet eens met de naheffing.
De man stelt dat hij zich heeft ingespannen om het parkeerrecht tijdig te voldoen. Hij wijst op de korte tijd tussen het parkeren en de aanmelding via de app als bewijs dat hij voortvarend heeft gehandeld. De rechter vindt zijn verhaal echter op meerdere punten ongeloofwaardig. De verklaringen van de man wisselen. Eerst zegt hij dat hij naar een tweede parkeerautomaat is gelopen, later beweert hij dat hij na een mislukte poging via de app zijn voertuig heeft aangemeld terwijl hij richting zijn bestemming liep. Deze tegenstrijdigheid maakt zijn betoog minder betrouwbaar.
Daarnaast acht de rechtbank de gestelde storing aan de parkeerautomaat niet aannemelijk. Uit gegevens van de heffingsambtenaar blijkt dat er die dag geen storingen zijn geregistreerd en dat er op dat tijdstip meerdere transacties bij de parkeerautomaten hebben plaatsgevonden. Ook wijst de rechter erop dat de loopafstand tussen de automaten slechts 50 meter bedraagt, wat niet overeenkomt met de geclaimde tijdsduur van drie minuten. Verder tonen de foto’s van de controle geen aanwijzingen dat de man daadwerkelijk bezig was om het parkeergeld te voldoen.
De rechter concludeert dat de man na het parkeren niet, zoals vereist, onverwijld en onafgebroken heeft gehandeld om de parkeerbelasting te betalen. Daarom verklaart hij het beroep ongegrond en blijft de naheffingsaanslag in stand.
